BLOG - Wat zijn de sociale gevolgen van de crisis

Onlangs bracht de OESO een rapport uit over de sociale gevolgen van de crisis. Geen vrolijk stemmende literatuur. In de beginjaren van de crisis zijn de sociale zekerheidsuitgaven voor werkloosheid, arbeidsongeschiktheid en bijstand in OESO landen flink gestegen.

Maar die uitgaven staan nu door de begrotingsperikelen steeds meer onder druk. En hoewel het sociale vangnet de klap voor veel mensen heeft helpen opvangen, bleven sommigen ook in de kou met weinig tot geen steun, vooral in zuidelijk Europa. Zo is het aantal mensen dat leeft in gezinnen zonder enig inkomen uit werk verdubbeld in landen als Griekenland en Spanje. Het aantal mensen dat zegt niet in staat te zijn om genoeg voedsel te kopen is toegenomen in maar liefst 23 OESO landen. De OESO waarschuwt lidstaten nadrukkelijk tegen verdere bezuinigingen op sociale uitgaven. Dit soort bezuinigingen zouden het leed van de meest kwetsbare groepen nog verder vergroten en de toekomstige maatschappelijke cohesie ondermijnen. Hoewel de commitment om de publieke financiën op orde te brengen belangrijk blijft voor het herstel van vertrouwen op langere termijn, mag dit volgens de OESO niet gebeuren op een wijze die de sociale en inkomensongelijkheid vergroot. Het economisch herstel op zichzelf zal de sociale littekens van de crisis ook niet automatisch doen verdwijnen. De OESO roept daarom regeringen met kracht op om meer effectief sociaal beleid te ontwikkelen dat burgers helpt om beter bestand te zijn tegen toekomstige crises. De sociale uitgaven moeten worden toegesneden op de meest kwetsbaren en macro-kortingen op overdrachtsuitgaven voorkomen. Dit geldt vooral voor terreinen als huisvesting en kinder- engezinsbijdragen omdat deze vitale steun bieden aan arme werkende gezinnen en eenoudergezinnen. Bezuinigingen hierop kunnen een negatief effect hebben op de ontwikkelingskansen van kinderen en de baankansen en het welzijn van mensen. Een sterkere weerbaarheid (“resilience”) is het centrale thema van de OESO-Ministersvergadering van 6-7 mei a.s.

De situatie in Nederland is gelukkig een stuk beter dan gemiddeld in de OESO. De relatieve armoedegraadbehoort met 7.5% tot de laagste in het OESO gebied, waar het gemiddelde 11.3% bedraagt. Het gegarandeerde minimuminkomen voor gezinnen ligt in Nederland ook substantieel boven het sociale vangnet in de OESO. En hoewel de (jeugd)werkloosheid in Nederland sinds de crisis flink is opgelopen, blijft deze toch een stuk lager dan het OESO gemiddelde, terwijl de werkgelegenheidsgraad met 74% van de volwassen bevolking de vier na hoogste is in de OESO. Ongeveer 6% van de Nederlandse bevolking zegt te weinig voedsel te kunnen kopen, wat de helft is van het OESO gemiddelde. En gevraagd naar dealgemene tevredenheid met het leven, scoren Nederlanders gemiddeld 7.5 op een schaal van 1 tot 10 en dat is een van de hoogste scores in het OESO gebied. Dit komt neer op een met Denemarken gedeelde 5e plaats, na Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Zweden.

Meer interessante informatie, ook over individuele landen op www.oecd.org/social/societyataglance.htm;

Hoort bij