BLOG - Entrepreneurship at a Glance 2017

De jongste editie van deze OESO-publicatie, onderdeel van het ‘OECD-Eurostat Entrepreneurship Indicators Programme’, staat in het teken van nieuwe trends (waaronder recente ontwikkelingen gerelateerd aan de opkomst van de ‘gig economy’) en het gebruik van digitale technieken door micro-ondernemingen.

In de meeste OESO‑landen waarover gegevens beschikbaar zijn, worden steeds meer nieuwe bedrijven opgericht en in veel landen is dat in grotere aantallen dan vóór de crisis, wat suggereert dat er een einde is gekomen aan de daling van het aantal ondernemingen.

De dienstensector leverde de grootste bijdrage: tweederde van de banen bij nieuwe bedrijven kwam in deze sector tot stand. Digitale tools en platforms bieden micro-ondernemingen steeds meer exportkansen.

Deze heropleving van het ondernemerschap wordt versterkt door een teruggang van het aantal faillissementen. Eind 2016 was het aantal faillissementen in de meeste OESO-landen gelijk aan of lager dan voor de crisis. En zelfs in de landen waarin het aantal faillissementen hoger was dan in 2007 (m.n. in IJsland, Italië en Spanje), vertonen de recente trends vanaf begin 2017 enige verbetering.

Tegelijkertijd signaleert de OESO dat werk als deeltijd-zelfstandige overal in de wereld sterk toeneemt, o.a. als gevolg van de opkomst van de ‘gig economy’ (platformeconomie). Dat laatste is eigenlijk laagwaardig ondernemerschap, aldus de OESO. Hierdoor worden dan ook steeds meer vraagtekens geplaatst bij de manier waarop cijfers over nieuw ondernemerschap tot stand komen (dat gebeurt nu door het aantal nieuw ingeschreven bedrijven te tellen).

Dienstensector is grote bron van nieuwe bedrijven

In alle OESO‑landen zijn er meer bedrijven opgericht in de dienstensector dan in andere industriesectoren. In 2014 werd in deze sector ongeveer tweederde van alle nieuwe banen door nieuwe ondernemingen gecreëerd. In de meeste landen hebben nieuwe industriële bedrijven daarentegen minder dan 15% van alle nieuwe banen bijgedragen. Van 2008 tot 2014 is de productiesector in alle OESO‑landen gegroeid, behalve twee: Luxemburg en Duitsland.

Ook heeft de werkgelegenheid zich in veel landen hersteld. In de meeste landen heeft het MKB (zowel bestaande als nieuwe bedrijven) de grootste aanzet voor groei gegeven. In de productiesector is de werkgelegenheidsgroei bij grote ondernemingen in de eurozone (die minder last van de crisis hebben ondervonden), groter geweest dan die van het MKB. In de VS hebben anderzijds grote ondernemingen in de dienstensector de werkgelegenheidsgroei na de crisis aangedreven.

De productiviteitsverschillen tussen grotere en kleine bedrijven variëren sterk tussen landen en sectoren. Over het algemeen zijn de productiviteitsverschillen echter veel kleiner in de dienstensector dan in de productiesector. Doorgaans betekent een groot productiviteitsverschil ook een groot salarisverschil. In Duitsland hebben grote ondernemingen salarissen betaald die ruim 50% hoger liggen dan die van middelgrote bedrijven en ruim 100% hoger vergeleken met die van kleinere en micro‑ondernemingen. Dit betekent dat de groei van activiteiten in de dienstensector de omvang van de salarisdistributie in de gehele economie waarschijnlijk reduceert.

Een groeiende dienstensector levert naar verwachting ook een bijdrage aan een reductie van de genderongelijkheid, omdat veel meer vrouwen een bedrijf in de dienstverlening opzetten dan mannen. De afgelopen tien jaar is in nagenoeg alle landen het verschil tussen het aantal zelfstandig werkende mannen en vrouwen afgenomen. Toch bestaan er nog steeds grote genderverschillen: in de OESO‑landen is één op de tien vrouwen zelfstandig ondernemer, en dat is bijna de helft van het aantal zelfstandige mannen (17%).

Salarisverschillen in de productiesector nemen in veel landen toe

In veel landen is de post-crisis arbeidsproductiviteitsgroei in de MKB-productiesector achtergebleven bij die van grote ondernemingen. Dit vergroot het bestaande productiviteitsverschil, vooral in België, Tsjechië, Duitsland, Letland en Slowakije. Bovendien zijn de salarisverschillen tussen grotere en kleinere productiebedrijven tussen 2008 en 2014 toegenomen in alle Oost‑Europese OESO‑landen, behalve Polen, de Baltische Staten, Noorwegen en het VK.

Digitale hulpmiddelen hebben nieuwe trajecten en markten voor micro‑ondernemingen ontsloten

De ontwikkeling van betaalbare digitale hulpmiddelen en platforms biedt micro‑ondernemingen de kans om buitenlandse markten te betreden, op een wijze die eerder ondenkbaar was.

Nieuwe data van de ‘Future of Business Survey’ (samenwerking tussen Facebook, de OESO en de Wereldbank) geven aan dat zelfs zzp’ers nu de export als een belangrijke activiteit voor hun bedrijf zien, dankzij het gebruik van digitale hulpmiddelen en ondanks hun kleine schaal. Twee van de drie exporterende bedrijven melden dat ruim de helft van hun internationale verkoop afhankelijk is van online hulpmiddelen en voor nagenoeg de helft (45%) is meer dan 75% van hun internationale verkoop afhankelijk van online hulpmiddelen.

De meest recente bevindingen van de ‘Future of Business Survey’ bevestigen ook eerdere conclusies dat bedrijven die internationaal actief zijn meer vertrouwen hebben in de huidige status en de toekomstperspectieven van hun onderneming, en vaker een positieve kijk hebben op de mogelijkheid van banencreatie. Dit geldt ook voor zzp’ers die handel drijven. Het onderzoek geeft echter ook aan dat grotere bedrijven over het algemeen meer vertrouwen hebben in hun onderneming dan kleinere bedrijven. Dit is een weerspiegeling van de grote uitdagingen waar micro‑ondernemers voor staan bij de groei van hun bedrijf, zoals compliance met wet‑ en regelgeving, het vinden van financieringsbronnen, het aantrekken en behouden van ervaren medewerkers en het zoeken van zakelijke partners.

De opkomst van de 'gig economy’

Een algemene trend in de meeste landen is de groei van het aantal zelfstandigen dat slechts part-time werkt. Dit aantal is de afgelopen tien jaar aanzienlijk toegenomen, wat deels een reflectie is van de nieuwe kansen die worden geboden door de gig economy: een nieuw fenomeen van flexibele werkafspraken of gigs, ter aanvulling of vervanging van een full-time baan. Ook al zijn gigs op zich niets nieuws (zo heeft de entertainmentsector altijd al op basis hiervan gefunctioneerd), toch worden ze tegenwoordig geboden en gevraagd door een grotere en zeer gevarieerde groep mensen, en gaat het om een veel omvangrijker assortiment gigs of diensten dan ooit tevoren.

Deelnemers aan de gig economy zijn mogelijk kleinschalige ondernemers, maar veel ‘gig workers’ bieden hun diensten aan in omstandigheden die sterk overeenkomen met die van conventionele werknemers, m.n. de afwezigheid van het ondernemersrisico. Toch is er ook een groot verschil tussen de flexibiliteit die gigs bieden vergeleken met traditionele gesalarieerde banen, wat aankomende ondernemers kan aanmoedigen start-up ideeën te implementeren, terwijl men ook in het eigen levensonderhoud kan voorzien.

Het is niet eenvoudig de bijdrage van ‘gig workers’ aan het ondernemerschap adequaat in te schatten. Enige bevindingen suggereren dat de gig economy ondernemerschapsactiviteiten soms reduceert, vooral als het functioneert als een vervanging voor ondernemerschap van lage kwaliteit in plaats van een aanvulling op hoogwaardig ondernemerschap.

Deze OESO-publicatie heeft dan ook de ambitie om betere data te verschaffen voor de meting van dit fenomeen. Voortgaande initiatieven op dit vlak zijn het profileren van nieuwe ondernemingen op basis van eigendom en handelsstatus, alsook hun integratie in mondiale waardeketens, de ontwikkeling van betere gegevens over gendergelijkheid en, meer in het algemeen, informatie over de statistische valkuilen van en waarschuwingen bij het gebruik van ondernemerschapsgerelateerde data.

Nederland

Nederland doet het internationaal goed als het gaat om o.a. snelgroeiende bedrijven (minimaal 10 werknemers, minimaal 10% personeelsgroei gemiddeld gedurende drie jaar), met een vijfde plaats voor gazelles (minimaal 10 werknemers, jonger dan vijf jaar, minimaal 20% personeelsgroei gemiddeld gedurende drie jaar). Van het totaal aantal bedrijven met minimaal 10 werknemers is 17% een snelle groeier en 1,9% een gazelle. Daarmee ligt ons niveau van snelle groeiers achter het VK (21%) maar nog voor Zweden (15%) en Duitsland (10%). De meeste gazelles zijn in ons land actief in softwareontwikkeling.

Matig scoort Nederland echter op het vlak van venture capital (omvang 0,026% van het BBP). In Israël is dat bijvoorbeeld 0,38% en in Finland 0,05%.

Voor meer info:

http://www.keepeek.com/Digital-Asset-Management/oecd/employment/entrepreneurship-at-a-glance-2017_entrepreneur_aag-2017-en?utm_source=e-mailnieuwsbrief&utm_medium=email&utm_campaign=AWTI+e-mail+alert#.We4HltJlLZ4

Hoort bij