BLOG - Economic Outlook juni 2017: Beter maar niet goed genoeg, nieuwe benaderingen nodig om globalisering en handel voor iedereen te laten werken

  • De jongste editie van de Economic Outlook (EO) is afgelopen 7 juni 2017 gepubliceerd, tijdens de jaarlijkse Ministerial Council Meeting (MCM) van de OESO, dit jaar in het teken van een beter functionerende en meer inclusieve globalisering. De EO-kernboodschappen zijn door SG Gurría en Chief Economist Mann toegelicht.
  • Na vijf jaar van zwakke groei is de stemming in de wereldeconomie het afgelopen jaar wat optimistischer geworden, waarbij vertrouwensindicatoren en de industriële productie toenemen, en investeringen en handel vanuit lage niveaus aantrekken. Opvallend is de sterk aangepaste verwachting voor de wereldhandel (van 2,9% in november 2016 naar 4,6%). De groei is breed gedragen, incl. onder grote producenten van grondstoffen.
  • De conjunctuur in het OESO-gebied laat een stabiele ontwikkeling zien, zoals ook blijkt uit de meest recente ‘Composite Leading Indicators’. Na een relatief zwakke groei van 3% in 2016, zal de geraamde mondiale groei in 2017 met 3,5% stijgen en in 2018 met 3,6%, de snelste groei sinds 2011. De groei in de eurozone zal naar verwachting stabiel blijven, met 1,8% over zowel dit als volgend jaar. Daarbij gaat het opvallend goed met de investeringen, met plussen van ruim 3% over 2017 en 2018.
  • SG Gurría noemde het goede nieuws relatief. De groei is nog steeds slechter dan voor de crisis in 2008-2009. Volgens Gurría moeten we niet vieren dat we van 'zeer slechte naar middelmatige' groei gaan. Chief Economist Mann gaf aan dat het herstel tekortschiet om een blijvende verbetering van de potentiële output mogelijk te maken en ongelijkheden weg te nemen. Zo is de bbp-groei per capita nog altijd een half procent lager dan voor de recessie van 2009 het geval was. Ook al zijn er kansen dat bedrijfsinvesteringen sneller aantrekken dan gedacht, is het huidige investeringstempo te zwak om als een sterke motor voor toekomstige economische groei te dienen.
  • Internationale handel is een krachtige motor geweest van wereldwijde economische groei en convergentie in levensstandaarden tussen landen. Ondanks deze voordelen is er sprake van een wijdverspreide terugslag, en politieke steun voor protectionistische maatregelen heeft terrein gewonnen in G20-landen. Stijgende ongelijkheid en stagnerende inkomens kleuren de achtergrond van deze ontevredenheid. Veel OESO-huishoudens hebben sinds het begin van de jaren 2000 weinig of geen verbeteringen ervaren als het om het beschikbare inkomen gaat, met eroderende mediumgeschoolde banen. De werkgelegenheid in de maakindustrie bevindt zich in een dalende trend, sinds 2000 van 16% naar 12% van de werkgelegenheid in OESO-landen.
  • De ervaring van de afgelopen twintig jaar suggereert volgens de OESO dat technologische vooruitgang en productiviteitsgroei losgekoppeld zijn geraakt van de loongroei. Omdat dit vooral lagere lonen treft is de inkomensongelijkheid toegenomen. Vooral mensen in de hogere inkomensgroepen zagen hun inkomen verder stijgen. Voor de typische werknemer zou een stijging van de productiviteit niet langer voldoende kunnen zijn om de reële lonen op te stuwen.
  • Als het gaat om toekomstige vooruitzichten m.b.t. de loonontwikkeling, verwacht de OESO dat verdere groei van economieën in combinatie met een verdere afname van de werkloosheid tot meer onderhandelingsmacht van werknemers moet leiden en dus ook tot hogere lonen.

Nederland

  • De groei van de Nederlandse economie blijft op een redelijk hoog niveau en neemt toe van 2,1% vorig jaar naar 2,4% dit jaar om iets terug te zakken tot 2,1% in 2018. De groei wordt breed gedragen door de particuliere consumptie, overheidsbestedingen, investeringen en de handel met het buitenland. De werkloosheid blijft dalen, van 6,0% vorig jaar via 5,2% dit jaar naar 5,0% in 2018. De sterke stijging van de huizenprijzen duidt volgens de OESO op een tekortschietend aanbod van woningen.
  • De OESO roept Nederland wederom op haar begrotingsruimte te benutten en een meer expansief beleid te voeren. Een van de aanbevelingen is om meer geld te bestemmen voor R&D en de marginale tarieven in de inkomstenbelasting voor de laagste inkomensgroepen te verlagen. Om de participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt verder te verhogen zouden de belastingtarieven kunnen worden verlaagd voor wie het minst in een huishouden verdient.
  • De OESO stelt dat het optrekken van de overheidsuitgaven een bijdrage kan leveren aan het verkleinen van 'een van de grootste overschotten op de lopende rekening in het eurogebied'. Dat overschot zou volgend jaar kunnen uitkomen op bijna 10% van het bbp. De OESO komt met optimistische verwachtingen voor de Nederlandse begroting: het overschot zou toenemen van 0,4% van het bbp vorig jaar naar 1,1% dit jaar en zelfs 1,6% over 2018.

Speciaal thematisch hoofdstuk over handel (‘How to make trade work for all’)

  • Het speciale EO-hoofdstuk over handel onderzoekt hoe de toenemende handelsintegratie OESO-economieën heeft beïnvloed en de gevolgen voor hun arbeidsmarkten, waarbij het effect van handel op werkverplaatsing en inkomensongelijkheid onder de loep wordt genomen. Er wordt aandacht geschonken aan het relatieve belang van fundamentele krachten als het gaat om veranderende voorkeuren en technologie. Men beoogt de volgende vragen te beantwoorden, op zoek naar diagnosticerende maatregelen om adequaat op structurele trends te kunnen reageren:
  • Wat zijn de belangrijkste krachten die de sectorale samenstelling van economieën vormgeven? In het bijzonder, wat is de rol van handel geweest in de daling van werkgelegenheid in de maakindustrie?
  • Hoe heeft de toenemende handelsintegratie, m.n. met opkomende economieën, exportmarkten van geavanceerde economieën beïnvloed?
  • Wat is de impact van handelsintegratie op loonongelijkheid en inkomensverdeling? Hoe hebben regio’s zich aangepast, vooral op lokaal niveau om concurrentie uit lage loonlanden te importeren?
  • Diepere handelsintegratie is gepaard gegaan met snelle veranderingen in specialisatiepatronen. Het aandeel van OESO-economieën in de werelduitvoer van goederen is tussen 1995 en 2015 van 80% naar minder dan 60% gedaald. Tegelijkertijd is de handel in zakelijke en financiële diensten 1,5 keer sneller gegroeid dan voor goederen. OESO-landen hebben hun specialisatie in diensten versterkt en zijn de ‘complexiteitsladder’ in hun goederenuitvoer verder opgeklommen. In opkomende markteconomieën zijn de complexiteit van hun productmix en het aandeel van kennisintensieve activiteiten in sectoren van hun maakindustrie sinds de jaren negentig toegenomen, echter blijven ze op deze gebieden nog steeds achter t.o.v. grote OESO-landen.
  • Toenemende handelsintegratie, net als technologische vooruitgang, heeft voor bedrijven en consumenten zowel baten als economische verstoringen met zich meegebracht. Het is dan ook lastig de rol van handel in het vormgeven van werkgelegenheids- en ongelijkheidstrends te onderscheiden van de effecten van technologie en verschuivende consumentenvoorkeuren. Nieuwe analyse in deze EO-editie laat zien dat concurrentie vanuit importen een relatief bescheiden impact heeft gehad op banen in de maakindustrie. De belangrijkste drijvers van baanverliezen zijn technologische vooruitgang en een toenemend aandeel van consumptie richting diensten geweest. Landen die goed zijn geïntegreerd in de mondiale waardeketens en die intermediaire goederen voor uitvoer importeren (zoals Duitsland, Tsjechië, Slowakije en Estland), hebben meestal een lagere daling van banen in de maakindustrie ondervonden dan andere economieën.
  • Zelfs als handelsgerelateerde baanverliezen beperkt zijn, worden hun kosten geamplificeerd door het feit dat ze door de geografische concentratie van activiteiten in de maakindustrie een buitengewoon sterke impact op bepaalde mensen en regio's hebben. Regio’s die een forse daling ondervinden in de werkgelegenheid van hun maakindustrie scheppen vaak geen nieuwe banen in andere sectoren om baanverliezen te compenseren, en vaardigheidseisen kunnen ook verschillen. Als gevolg daarvan worden sommige lokale economieën (m.n. rurale gebieden) door schokken aan hun maakindustrieën met langdurige verliezen geconfronteerd. Landen die meer banen in de maakindustrie hebben verloren (door een sterke importconcurrentie, technologische verandering of evolutie van consumentenvoorkeuren), hebben een grotere toename van inkomensverschillen onder regio’s ervaren.
  • De belangrijkste bevindingen van het hoofdstuk suggereren dat om handel (en de evoluerende eisen aan vaardigheden die verband houden met veranderende voorkeuren en technologie) voor iedereen goed te kunnen laten werken, een geïntegreerde beleidsaanpak nodig is die acties op internationaal, nationaal en regionaal niveau met elkaar verbindt. De aanpak van geconcentreerde economische verstoringen zal sterkere inspanningen vereisen om kwetsbare werknemers bij de overgang naar nieuwe banen te helpen en hen te voorzien van de benodigde vaardigheden om in een veranderende wereld te kunnen slagen. In het bijzonder zouden beleidsacties ter verbetering van de productiviteit en werkgelegenheidscapaciteit van achterblijvende regio’s moeten worden geïntensiveerd om een betere verdeling van de grote winsten uit handel en technologische vooruitgang te bevorderen.
  • Men zou coherente en meer gerichte beleidspakketten van maatregelen moeten nastreven om inclusiviteit te vergroten, ontheemde werknemers te ondersteunen en extra mogelijkheden te scheppen door toetreding van nieuwe bedrijven en innovatie te stimuleren, zoals aangegeven in de recente OESO-editie van ‘Going for Growth 2017’. Daarnaast zou de regionale dimensie van beleidspakken systematischer moeten worden aangepakt. Tenslotte zou binnenlands beleid moeten worden aangevuld door internationale afspraken ter bevordering van een gelijk speelveld (‘level playing field’).
  • Dit laatste omvat globale arrangementen om ervoor te zorgen dat globalisering geen ‘race to the bottom’ aanmoedigt in termen van instellingen en standaarden, m.n. voor arbeid en milieubeschermingsnormen. Multilaterale conventies over fiscale samenwerking zoals BEPS (‘Base Erosion and Profit Shifting’) zijn eveneens van belang om grensoverschrijdende verschuivingen van belastbare winsten in te beperken, die de capaciteit van de overheid beperken om inkomsten te verhogen en de perceptie accentueren dat globalisering 'oneerlijk' is. De handelsuitbreiding heeft ook gevolgen voor corruptie, illegale handel en de handel in namaakproducten, die allemaal internationale samenwerking vereisen om het probleem effectief aan te pakken.

Voor meer info: http://www.oecd.org/eco/economicoutlook.htm

 


 

 

 

Hoort bij