BLOG - Hoe is het leven in 2017? Meting van het welzijn

De vierde OESO-editie van ‘How’s Life?’ schetst het meest recente beeld van het welzijn van mensen in OESO-landen. Waar bestaat een goed leven uit? Aangezien de veelzijdigheid van menselijke ervaringen niet alleen in cijfers kan worden uitgedrukt, is het belangrijk dat de statistieken die ten grondslag liggen aan overheidsbeleid niet alleen een weerslag zijn van materiële levensomstandigheden van mensen, maar ook van de kwaliteit van hun leven. Dit omvat aspecten zoals levensveranderingen in de tijd, hoe het leven van verschillende bevolkingsgroepen verschilt en of het welzijn van vandaag ten koste gaat van hulpbronnen die in de toekomst nodig zijn.

Het leven is voor sommige mensen beter, maar diverse welzijnsaspecten lopen achter

De financiële crisis heeft ernstige en langdurige gevolgen gehad voor het leven van mensen, m.n. voor hun werk. Als we de welzijnsverandering sinds 2005 onderzoeken, constateren we dat men voor sommige aspecten erop vooruit is gegaan, maar dat het tempo van de vooruitgang sinds de crisis is afgenomen, en dat diverse andere welzijnsaspecten momenteel achter lopen. Het gezinsinkomen en de gemiddelde jaarinkomsten zijn sinds 2005 respectievelijk cumulatief met 7% en 8% toegenomen, maar dat is ongeveer de helft van de groeisnelheid die van 1995 tot 2005 werd opgetekend. Het percentage mensen dat geen toegang heeft tot sanitaire basisvoorzieningen (dat in de meeste OESO‑landen al laag was) is met iets meer dan eenderde afgenomen, en meer mensen zeggen dat ze zich veilig voelen wanneer ze ’s avonds alleen op straat lopen. Ondanks het feit dat de gemiddelde levensverwachting in 2015 is afgevlakt, is deze waarde over het algemeen met nagenoeg twee jaar toegenomen.

Andere welzijnsaspecten lopen echter achter. In nagenoeg de helft van alle OESO‑landen is de langdurige werkloosheid nog steeds hoger dan in 2005 en is de onzekerheid op de arbeidsmarkt ongeveer eenderde hoger dan toen deze waarde in 2007 voor het eerst werd gemeten. Vergeleken met de jaren voorafgaand aan de crisis, gaan er minder mensen naar de stembus, is de gemiddelde levenstevredenheid in het OESO-gebied iets teruggedrongen en is het percentage mensen dat zich ondersteund voelt door familie en vrienden met 3% afgenomen. Het beeld van de hulpbronnen die het welzijn op de lange termijn ondersteunen, blijft gemengd. Ook hier weer staat tegenover de vooruitgang van sommige factoren (bijv. lagere broeikasgasemissies per hoofd van de bevolking, minder mensen die roken, meer investering in R&D en hoger geproduceerde economische activa) een verslechtering van andere factoren (bijv. toename van de schuldenlast van huishoudens in de meeste OESO-landen, afname van de financiële nettowaarde van overheden, toename van de zwaarlijvigheid en afname van het vertrouwen in de overheid).

De vele aspecten van ongelijkheid

Ongelijkheid heeft gevolgen voor alle aspecten van het leven. In het OESO-rapport wordt de ongelijkheid op het gebied van welzijn op verschillende manieren onderzocht, zoals de verschillen tussen de hoogste en de laagste welzijnsniveaus en de verschillen op basis van geslacht, leeftijd en onderwijsniveau. Uit deze informatie blijkt dat sommige maatschappijen gelijker zijn dan andere, terwijl er in alle OESO‑landen uitschieters van hoge en lage ongelijkheid bestaan. Deze ongelijkheden zijn bovendien interactief, wat de nadelen nog eens verergert. Mensen met de 20% hoogste inkomens melden tweemaal vaker dat ze tevreden zijn over hun leven vergeleken met mensen met de 20% laagste inkomens. En de mensen die het meest tevreden zijn over hun leven voelen zich gemiddeld ook viermaal gezonder vergeleken met wie daar het minst tevreden over is. Veel mensen in OESO‑landen hebben geen reserves om zichzelf tegen inkomensschokken te beschermen. Na drie maanden zonder inkomen komt meer dan eenderde van de mensen in armoede terecht, dit op basis van gegevens uit 25 OESO‑landen.

Migranten staan voor grote welzijnsuitdagingen

Gemiddeld 13% van de bevolking in OESO‑landen is in het buitenland geboren. Migranten zijn zeer divers, zowel in de hele OESO‑zone als in individuele landen: van zeer hoogopgeleide professionals die nieuwe kansen zoeken tot mensen die oorlog en mensonterende situaties ontvluchten. Het gemiddelde inkomen van migranten is 25% lager dan dat van de autochtone bevolking en het gemiddelde netto vermogen is 50% lager. Ook al maken migranten evenveel kans op een baan als autochtonen, toch zullen ze vaker buiten de normale kantooruren werken, laagbetaald werk verrichten en blootgesteld zijn aan risicovolle of schadelijke werkomstandigheden. Vaak is het ook zo dat migranten niet in staat zijn hun eigen vaardigheden goed in te zetten: nagenoeg 30% van alle migranten met een tertiaire graad is te hoog opgeleid voor het werk dat ze doen, vergeleken met 20% van de autochtonen. Ook de woonomstandigheden van migranten zijn slechter: 1 op de 4 migranten meldt blootgesteld te zijn aan luchtverontreiniging en geluidsoverlast in de omgeving waarin ze wonen, vergeleken met 1 op de 5 autochtonen; en 41% van de migranten woont in ondermaatse of overvolle woningen, vergeleken met 27% van de autochtonen. Migranten melden ook een slechtere gezondheid, minder sociale ondersteuning en een lager subjectief welzijn dan autochtonen in de meeste OESO‑landen die werden geëvalueerd. Er kan echter veel worden verbeterd aan de meting van het welzijn van migranten, vooral omdat de vragenlijsten voor huishoudens vaak niet bij de meest kwetsbare groepen terechtkomen.

De kloof tussen openbare instellingen en de mensen die ze dienen

De gestage teruggang van het aantal mensen dat in OESO‑landen naar de stembus gaan, wekt al jarenlang zorgen. Ruim de helft van alle mensen in het OESO-gebied is van mening dat hun regering ernstig corrupt is. Het vertrouwen in openbare instellingen is sinds 2005 gedaald. Slechts 33% van de mensen hebben het gevoel dat ze iets in te brengen hebben bij overheidsgerelateerde zaken. Deze leemte is nog groter voor de mensen die in het openbare leven het meest ondervertegenwoordigd zijn: mensen zonder een hoger middelbaar onderwijs hebben vaak minder het gevoel dat ze enig invloed hebben op beleidsbeslissingen vergeleken met mensen met een tertiaire opleiding. Het aantal mensen dat naar eigen zeggen heeft gestemd, is 13% lager voor de mensen met de laagste 20% inkomens vergeleken met de mensen met de hoogste 20% inkomens. Europeanen zijn over het algemeen tevreden over de manier waarop de verkiezingen worden georganiseerd, maar zijn een stuk minder te spreken over beleid ter bestrijding van ongelijkheid. De tevredenheid over openbare onderwijs‑ en gezondheidsdiensten verschilt enorm tussen landen, maar is vaak hoger bij mensen die deze diensten recentelijk hebben gebruikt. Dit suggereert dat ervaring belangrijk is voor het vormen van een persoonlijke mening.

Nederland

Nederland haalt op verschillende welzijnsindicatoren mooie resultaten. We scoren onder meer goed op werk-privé balans, beloning en onderwijs.

Het inkomen van Nederlanders ligt bijna 20% hoger vergeleken met andere OESO-landen. Bij het laatst gemeten moment lag dit gemiddelde op 50.000 euro, dit is 8% hoger dan in 2005. Uit het onderzoek blijkt ook dat de onzekerheid over de arbeidsmarkt laag ligt in Nederland. De langdurige werkloosheid is echter gestegen de laatste jaren, met een piek van 3% in 2015.

Kwalitatief onderwijs en de juiste vaardigheden zijn belangrijke eisen bij het vinden van een baan: 77% van de werkende volwassenen in Nederland heeft hoger middelbaar onderwijs gevolgd, het wereldwijde gemiddelde is 75%. Ook wat betreft lees- en rekenvaardigheden gaat het goed, Nederlanders staan hierbij in de top-3. Ook al is het in Nederland goed gesteld met het onderwijs en ligt het boven het gemiddelde, kunnen we toch spreken van een kenniskloof. Door de opmars van digitale rollen en het toenemende belang van de juiste soft skills, blijkt er geen goede aansluiting te zijn van opleiding naar arbeidsmarkt. Daarnaast ligt er ook een belangrijke verantwoordelijkheid bij de bedrijven (kijk vooral naar de ‘must-have-skills’ en train nadien de ‘nice-to-have-skills’).

Tot slot blijkt uit de Better Life Index van de OESO dat Nederlanders, op Russen na, de minste overuren van alle landen maken. Slechts 0,5% van de Nederlanders maakt regelmatig lange dagen. Wereldwijd ligt dit gemiddelde op 12,6%, een significant verschil dus. De werkdruk is stabiel gebleven de afgelopen jaren en ligt nog steeds lager dan het gemiddelde in het OESO-gebied.

Voor meer info:

http://www.keepeek.com/Digital-Asset-Management/oecd/economics/how-s-life-2017_how_life-2017-en#.WnfRz8KouDs (integrale publicatie)

http://www.oecd.org/statistics/Better-Life-Initiative-country-note-Netherlands.pdf (How’s Life in the Netherlands?)

Hoort bij